dinsdag 10 mei 2011

Doorrijden maar

Vandaag de eerste van een aantal dagen dat we de hele dag in de bus zitten. We verlieten Bandung om halfnegen. Een flink end doorrijden en vervolgens in de file terechtkomen. Bleek in een dorpje hoog boven in de bergen een bekend fenomeen. Daar heb je vrachtautootjes die niet harder dan 5 km per uur rijden. En als die midden op de weg rijden, ontstaat er vanzelf langzaam rijdend tot stilstaand verkeer. Er is nog genoeg dag over als we een tijd later uitstappen. We stappen over in een wagen met een paard ervoor. Afhankelijk van de leeftijd van het dier gaat het in looppas of in draf naar een plek verderop. Ondertussen zijn er mooie plaatjes te zien van de rijstvelden.
Niet veel later komen we aan bij een meer. Daar stappen we wankelend over palen in het water in een bamboe boot. Wat een rust op dat meer! Na alle verkeer in Bandung een verademing. We komen op een eiland met een beschermd dorpsgezicht. In deze Kampung mogen maar een beperkt aantal mensen wonen in een beperkt aantal huizen. De huizen zijn nog net zoals vroeger, dus mooi om te zien. Uit het verhaal van onze gids blijkt de liefde voor planten. In de tuin allerlei verhalen over de bomen die er staan.
Uiteindelijk komen we bij een hindoetempel op het eiland. Een mooie herbouwde tempel ter ere van de God van de vernietiging Shiva. We maken wat
foto's van de godheid die achter tralies in het donker god aan het wezen is. Ik grap naar de gids dat er een kans is dat mijn foto wordt vernietigd door de vernietigende god. De meeste Indonesiers kijken niet vernietigend, maar ik geloof dat de grap niet zo werd gewaardeerd.
Na een wandeling van een uur zijn we wel dorstig. Ik neem koffie tubruk, koffie met water erop. Anderen nemen verse klaper (kokosnoot). Vers van de boom, voor je ogen
Zo gehakt dat er een gat ontstaat en je de melk kunt drinken en het vruchtvlees kunt eten. Qalieb en Aneta kunnen het niet op, dus ik eet en drink de rest. Heerlijk tegen de dorst en niet zo zoet als in Nederland.
Teruggekomen bij de paardjes krijgen we een gesprekje met de chauffeur. Met het meest zielige stemmetje vertelt hij dat hij 22 familieleden van het werk moet onderhouden. Zo, dat is veel, zo spelen we het spel mee. Na afloop geven we de gids een fooi. Die moet hij maar delen met die drie andere zielige of minder zielige mensen.
Verder gaan we. Prachtige uitzichten voor wie er oog voor heeft, want de meesten hebben de oogleden dicht. Tussendoor stoppen we voor wat makan. Ik heb geen trek in vlees, dus neem groeten: gebakken tahoe, tempe en mais.
Aardappelkroketjes. Het oog is groter dan de maag. Die trekt het na verloop van tijd niet meer.
Verder gaan we weer naar een bergdorpje waar ze nog helemaal oorspronkelijk leven. Ze wonen in het dal, de ingang is bovenop de heuvel. Met trappen lopen we omlaag. Een enkeling telt de treden: 430! Het dorpje blijkt 500 voor Christus te zijn gebouwd. Alles nog gebouwd met bamboe. Een huis mogen we binnenlopen. Eerst de schoenen uit. Bukken, want het is gebouwd voor het kleine soort mens. Drie kamers zijn er: huiskamer, keuken en slaapkamer. Keuken niet van de nieuwste soort, maar op vuur van hout. Licht niet van elektriciteit, maar van lampen die op kerosine branden. Buiten is het al klam. Binnen is het nog veel drukkender. Als ik buitenkom blijft het water van me afgutsen. Heel interessant te zien hoe mensen leven en met wat ze verbouwen kunnen leven. Deels door ervan te eten, deels door het anders te gebruiken, deels door het te verkopen. Aan het einde komt waar sommigen zich op verheugd hebben: de weg naar boven. De sportman onder ons gaat in draf de 430 treden omhoog. Om boven te verklaren dat zijn ademhaling hier veel sneller gaat. Ja, daar hoef je niet snel voor te lopen. Dat merkten wij ook.
Na een korte waterinname- en -afnamepauze gaan we weer op weg. Onderweg zet iemand voor de lol zijn mobiele tomtom aan. En vertelt de chauffeur dat 'ie nu linksaf moet. De snelste weg. De chauffeur kiest voor de bekende weg.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten